Klederdrachtambassadeur Sijtje Woort-Westerneng

“De ouden zitten in het bejaardenhuis en de jongeren moeten het nog leeren”

“Zoals u weet heb ik alles van de klederdracht van vroeger en nu. En dan een verzameling poppen ons hele leven uitgebeelt…” Dat schreef Sijtje Woort-Westerneng (1903-1995) in december 1971 aan kledingconservator Jan Duyvetter van het Openluchtmuseum. Ze leverde het NOM in de periode 1969-1972 in totaal 69 objecten en gaf daarnaast tenminste 20 kraplappen in bruikleen. Ook repareerde zij historische kledingstukken.[1]

Sijtje was een onvermoeibare ambassadeur van de Urker dracht. Dit kwam voort uit een stukje passie maar ook bittere noodzaak. Zij verloor man en dochter op 34-jarige leeftijd en haar latere, samengestelde gezin bestond uit niet minder dan 14 kinderen.

Onderneemster in de dop

Zoals de meeste Urker meisjes verliet Sijtje op 14-jarige leeftijd het eiland om als dienstmeisje bij een boerengezin in Andijk en een Joodse familie in Amsterdam aan de slag te gaan. Na haar huwelijk met visserman Klaas Wakker ontpopte Sijtje zich als zakenvrouw. Toen haar echtgenoot ziek werd, begon ze samen met hem een handel in stoffen, badlakens en ondergoed. Na zijn overlijden ging Sijtje ook als naaister aan de slag. Ze maakte oliepakken voor vissers en Urker mannenbroeken, bestaande uit 26 stukken, die ze op het oog kon knippen. Met haar tweede man, Teunis Woort, opende ze in Wijk 4 De Magneet, een soort Winkel van Sinkel, waar de meeste benodigdheden voor de Urker dracht te vinden waren.[2]

Sijtje beheerde een oudheidkamer met materiaal van haar vader, poolreiziger Gerrit Westerneng. Voor de Tweede Wereldoorlog opende ze in de schuur op Wijk 3-73 een ‘Museum van Urker Kleeding’ met als toevoeging ‘Een attractie. In Urker costuum op de foto’.  Hier toonde ze haar verzameling poppen die alle fasen van de dracht uitbeeldden. Toeristen konden zich in Urker dracht door zoon Gerrit laten fotograferen.[3]

Sijtje was zeer Oranjegezind. In de loop van haar leven reisde ze vrijwel alle leden van het koninklijk huis achterna om hen een klederdrachtpop aan te kunnen bieden, vaak samen met vriendinnen als Mariap van Urk-Koffeman en Jante Baarssen-Schraal.[4]

Voor de aankoop van stoffen en kleding kwamen haar contacten met Joodse handelaren – opgedaan als dienstmeisje in Amsterdam – goed van pas. Regelmatig reisde ze, lopend op Urker muilen, per taxi of bus en trein naar de hoofdstad. Onderweg trok ze haar boezel over het hoofd en deed een knippien (dutje). Precies op tijd werd ze weer wakker. 

Eigen uitgave

Na de oorlog introduceerde Sijtje brokaat in de vrouwendracht, toen ze een handeltje in restanten van cocktail- en avondkleding begon.[5] Samen met Geert Oost, Jan Marten Gerssen en Abraham Ras vormde ze de ‘Grote Vier’. In samenwerking met Volendammer winkeliers kochten zij stoffen en kleding bij fabrieken op.[6] 

Haar kennis van de Urker dracht legde Sijtje in 1946 vast in een eigen uitgave, ‘Urker klederdracht’.[7][8] Hierin beschreef ze de kledingstukken per seizoen. Ook deelde ze overleveringen, bijvoorbeeld dat een vrouw op haar trouwdag geacht werd naast gestreepte onderrokken, acht boven- en tussenrokken te bezitten en zij naar oud Rooms gebruik in de zeven weken voor Pasen een paarse rok en kraplap droeg.

Sijtje concludeerde dat in de Tweede Wereldoorlog, door gebrek aan stoffen, veel Urkers in burger gingen. Zij hoopte dat als de schaarste over was deze mensen het ‘oude costuum’ weer aan zouden trekken. De onderneemster verkocht de boekjes voor 25 cent.

Antieken hulletjes

De bewaard gebleven correspondentie tussen Sijtje en Duyvetter bestaat uit vier series uit de periode 1969-1972. De conservator organiseerde aansprekende thematische tentoonstellingen, met thema’s als ‘Handel en wandel’, ‘Het platteland thuis’ en ‘Feest en vermaak’.[9]

Sijtje leverde het museum diverse rokken, kraplappen en kinderkleding, inclusief een paarse rok die volgens Duyvetter goed bij een kraplap uit 1898 zou passen. In 1971 vroeg hij haar om rouw- en paaskleding te leveren, en vijf antieke hulletjes te repareren. Dat laatste viel nog niet mee, schreef Sijtje, want men kon ‘tegenwoordig haast geen hul genaaid krijgen’: “De ouden die het deden zitten in het bejaardenhuis en de jongeren moeten het eerst nog leeren. En de machine om te plooien wil ook niet erg.”

De winkelierster repareerde er twee en liet Duyvetter weten dat ze ‘trommels vol hullen’ had – kon hij die niet beter aankopen? Binnenkort moest ze naar Nijmegen, en dan kon ze wel even met een voorraad in Arnhem langskomen. Het bezoek wierp vruchten af: het museum kocht 23 items aan. Uit een brief uit april 1972 blijkt dat Sijtje ook het een en ander aan het museum cadeau deed.

Uit de correspondentie blijkt dat het contact door beide partijen op prijs werd gesteld. Duyvetter bezocht Sijtje op Urk en op haar beurt bezocht de onderneemster zijn tentoonstellingen in Arnhem. De collectiebeheerder had baat bij Sijtjes suggesties, terwijl zij de kans kreeg een extraatje te verdienen. Met Duyvetter deelde Sijtje ook persoonlijke informatie, zoals in een brief uit december 1971: “Mijn man is oktober j.l. onverwachts overleden aan het hart. En zelf al 2x in het ziekenhuis gelegen dagt ik zal schrijven nu ik er nog ben.”

Instant boezel

Na Sijtjes overlijden in 1995 werd haar werk deels voortgezet door dochter Mina. Die zorgde ervoor dat kroonprins Willem-Alexander op Koninginnedag 1994 een Urker baatje aan kreeg. Mina gaf vanaf 1985 naailes bij Stichting Buurtwerk Urk en knipt op 83-jarige leeftijd nog altijd kleding. Van de restjes maakt ze tassen met verschillende elementen uit de Urker dracht. “Als vroeger een klant om een boezel vroeg, zei m’n moeder: ‘Wacht even’. Ze knipte de stof op het oog, ging achter de naaimachine zitten en tien minuten later lag er een boezel”, vertelt Mina.[10]

Als kind vond ze het vervelend om met haar moeder op stap te moeten. “We namen de eerste bus en kwamen met de laatste terug. Van de ene kelder of zolder naar de volgende”, vertelt ze, “Met die zware zakken vol kleding en stof op de rug liepen we voor schut. Ik nam twee paar schoenen mee, die ik halverwege wisselde, zo’n pijn deed het.” Mina ergerde zich aan de eigengereidheid en rommeligheid van haar moeder. Maar op oudere leeftijd ziet ze ook een andere kant: “Moeder was een uniek mens en heeft veel voor de Urker dracht betekend.”

Nieuwe generatie

Ook de volgende generatie is volop bij de klederdracht betrokken: de winkel werd in 1976 op de Pyramideweg als Woninginrichting Wakker heropend. Deze wordt nu gerund door kleindochter Marjolein Wakker en haar man Riekelt Brands. Zij verkopen naast kant en klaar goed ook Urker stoffen, in opdracht geweven door ambachtelijke fabrikanten o.a. in Duitsland, Oostenrijk en Engeland. Makers kunnen hier ook terecht voor band, lint, knopen en sieraden.


[1] Correspondentie tussen NOM en Sijtje Woort-westerneng, 1969-1972, verwervingsarchivalia in bedrijfsarchief Nederlands Openluchtmuseum

[2] Alie Scheffer, Urker winkeltjes uit vroeger dagen (Urk 2024), 368 – 376

[3] Interview met dochter Mina Kramer-Woort op 19 augustus 2024

[4] Idem

[5] Voor een voorbeeld van deze stof zie de meisjeskraplap in collectie NOM, https://modemuze.nl/collecties/meisjeskraplap-van-brokaat-urk-circa-1972

[6] Bogerd et al., 374

[7] Sijtje Woort-Westerneng, Urker Klederdracht (Urk 1964)

[8] In 1988 werd het boekje in iets gewijzigde vorm heruitgegeven door VVV Urk

[9] Ockers, 16-23

[10] Interview met Kramer-Woort